1956

Delen S

Middelbare studies

Voor haar middelbare studies trekt Rita samen met haar zus Sonja naar het Sint-Angela Instituut in de Statiestraat en volgt daar de eerste drie jaar de economische afdeling. "Dat was zo in die tijd. Of je volgde de Latijnse afdeling of je zocht de handelsrichting op, de economische afdeling dus. Na die drie jaar lagere middelbare ben ik overgestapt naar Brussel, waar ik de wetenschappelijke B heb gevolgd. Maar dat was geen makkie. Dat was moeilijk om vol te houden, want ik had toen al meer zin om te zingen dan om te studeren", herinnert Rita zich nog levendig.

Eddy huwt Mariette

Tijdens één van zijn optredens in Ter Donk leert Eddy, Mariette Roegiers kennen, zijn allereerste en ook zijn grootste fan. Zij besluiten de negentiende juli 1956 te trouwen. 25 juni 1957 wordt hun huwelijk gezegend met de geboorte van dochter Marina. Eddy laat zijn werk in de weverij in de steek, gaat samen met zijn schoonmoeder die een handel in lederwaren heeft naar de markten.

De Vlaamse Doris Day

Jo wordt van 1956 tot 1964 de vaste zangeres bij het amusementsorkest van Francis Bay. Dat zal een solocarrière niet in de weg staan, al wordt Jo vaak aan anderen gekoppeld zoals aan De Strangers en vooral aan Bob Benny met wie ze tal van elpees en EP's heeft ingezongen. Jo wordt stilaan een vocale blauwdruk van de Amerikaanse ster Doris Day, a girl next door.

In 1956 maakt Jo die vergelijking waar door op aanraden van Jaap Streefkerk Que sera sera in te zingen, een liedje dat Doris in de film The man who knew too much zong. Het wordt meteen een gigantische hit voor Jo. In het kielzog van dat succes trekt ze samen met Francis Bay die op vraag van Bob Boon voor de VRT intussen een eigen amusementsorkest had opgericht, op pad. Geen dorp in Vlaanderen of ze hebben er ooit samen opgetreden.

Venetië

Jean Walter zingt Venetië, onder leiding van Henri Segers en zijn orkest.

Twee blauwe kinderogen

Jean Walter zingt Twee blauwe kinderogen, samen met het orkest van Henry Segers in Weet je nog wel.

De Gouden Gondel

In 1956 trekt Jean met de Belgische ploeg, waarvan ook Terry Lester, Erik Franssen, Frieda Linzi en Francis Bay deel uitmaken, naar Venetië om daar deel te nemen aan Festival van de Gouden Gondel. Speciaal voor Jean schrijven Marcel Coole en Hans Flower Venetië. Jean zingt dat liedje deels in het Italiaans, deels in het Nederlands. Voor alle zekerheid heeft hij zijn Italiaanse tekst op een spiekbriefje geschreven, maar ziet tijdens zijn optreden dat hij het in de verkeerde richting vast heeft. Hij brabbelt dan maar ter plekke een taaltje dat op Italiaans moet lijken.

De Belgische ploeg krijgt De Zilveren Gondel, zij eindigen tweede. De Nederlanders, met onder meer Mieke Telkamp en Willy Alberti, varen met De Gouden Gondel naar huis. Venetië wordt in 2000 genomineerd in de Eregalerij van Radio 2 en Sabam tijdens een gala in het Casino van Knokke.

Tulpen uit Amsterdam

En dan is er het haast onafscheidelijke Tulpen uit Amsterdam, tevens de grootste hit die Jean Walter ooit scoorde. Tulpen uit Amsterdam werd zowel in het Nederlands als in het Duits door Jean als allereerste op plaat gezet. Oorspronkelijk was het Gerhard Wendland die het liedje zou inzingen, maar wegens ziekte moest die afhaken en was het de eer aan Jean om het in te zingen samen met het Rias Tanzorchester onder leiding van Werner Müller die tevens de arrangementen schreef.

In het Duits zingt Jean het liedje in 1956 in als Tulpen aus Amsterdam. Een ander verhaal wil dat Jean Walter het nummer Tulpen aus Amsterdam ontdekte toen zijn platenfirma in 1956 in Hamburg een reünie organiseerde waarbij zowel Jacques Klüger, Helmut Zacharias als Jean Walter aanwezig waren. Uit een aantal nieuwe melodieën mocht Jean zijn keuze maken. Een ingehuurde pianist speelde enkele liedjes voor en toen Jean hem Tulpen aus Amsterdam hoorde inzetten, was hij meteen verkocht. Maar dat het zo'n immens succes zou worden, had toen niemand verwacht, Jean zeker niet.

Het ontstaan van Marina

Op zekere dag komt een Duitse muzikant uit de buurt, Horst Schröder, Rocco vragen of hij niet in zijn kwartet wil meespelen. Hij moet op zijn accordeon hun toenmalige zangeres begeleiden in operetteliederen uit Im weissen Rössl. Het is op dat moment dat hij beetje bij beetje zijn eerste liedjes begint te schrijven: thuis bij mama aan een kleine tafel met als grote droom ooit een bekend operacomponist te worden.

Zijn eerste belangrijke stap in de muziekwereld zet hij als hij zich inschrijft voor het liedjesfestival La Rondinella d'Oro (De Gouden Zwaluw) in Luik, waar hij het door hem zelfgeschreven È primavera zingt. Rocco eindigt op een gedeelde eerste plaats samen met een lokale zanger die koste wat het kost in de prijzen moest vallen. Die avond speelt Rocco voor een uitgelaten publiek al de basis van wat enkele dagen later Marina zal worden. Toen al bood zich iemand aan die veel geld op tafel wilde leggen om dat liedje in zijn uitgeverij te krijgen, maar Rocco weigert.

De inspiratie voor Marina kreeg Rocco toen hij met zijn orkest in een café in Molenstede in de buurt van Diest speelde, waar de kusjesdans vaak op het menu stond. Hij liep niet zo hoog op met die gewoonte, het kwam hem zelfs de strot uit. Het publiek blijft maar aandringen. In samenspraak met zijn drummer zet Rocco een liedje in dat meer op een improvisatie lijkt dan op wat anders. De maat is 2/4, daar kun je immers ook op stappen, net als op zo'n doordeweekse kusjesdans. Alleen moet hij nu nog een tekst verzinnen. Tegen de muur van dat café hangt een poster van het sigarettenmerk Marina en daarmee is de titel van een wereldhit in wording geboren. Let wel dat het vooral nog behelpen is, want Marina zal tekstueel pas later in de studio tijdens de opname van het nummer in de juiste vorm worden gegoten.

Meer hits

Met Het blijft onder ons, scoort Ray in 1956 opnieuw een klassieker die zijn fans na aan hun hart zal blijven liggen en dat zij telkens opnieuw zullen aanvragen wanneer hij ergens gaat optreden. 1957 is goed voor twee singles die het erg goed doen: Hou moed en Ik zeg je au revoir. In de maand maart van dat jaar neemt Ray een vertaling van Nelly Byl op van de Dalidahit Bambino. Ondanks de bekendheid van het liedje, ook bij ons, geraakt Ray Franky met zijn versie niet hoger dan de derde plaats in de Vlaamse Top Tien, al zal het nummer zo'n vijf maanden na mekaar in die hitlijst blijven rondzwerven.

In de jaren veertig en vijftig waren hits vaak een lang leven beschoren. Platen konden weken na mekaar in één of andere hitlijst genoteerd blijven. Het was in die tijd ook zo dat je van een bepaalde hit diverse covers in één en dezelfde hitlijst kon tegenkomen. In 1958 bijvoorbeeld scoort Enny Denita een hit van formaat met het nummer Bittere tranen. In 1957 had in Amerika Teresa Brewerhet nummer I'm Drowning My Sorrows van Eddie Brandt op single uitgebracht dat geen hoge ogen in de popcharts gooide, maar hier wel werd opgepikt en doorgespeeld aan Leo Camps die er de tekst Bittere Tranen bij schreef. Een dijk van een hit dus voor Enny Denita en in de zomer van 1958 ook een hit in de singleversie van Ray Franky die er eveneens een nummer 1 mee scoorde en met zijn versie maanden lang over de radio te horen was. Uiteraard werd het tijdens zijn live-optredens een meezinger van jewelste.