1948

Delen S

Liliane Saint-Pierre wordt geboren

Liliane werd de achttiende december 1948 geboren in Diest als Liliane Keuninckx. Twee jaar later wordt haar broer geboren. Papa Keuninckx was spoorwegbediende en mama was poetsvrouw. Beiden moeten hard werken om ervoor te zorgen dat hun kinderen niets tekort kwamen. Liliane had een enorm warme band met haar broer Roland, die op achtentwintigjarige leeftijd door een ongeval om het leven kwam. Hij werkte bij de spoorwegen en werd op zekere nacht opgeroepen om de bevroren wissels te helpen ontdooien. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden worden hij en zijn collega door een trein gegrepen. Haar broer was de zachtaardige, zij eerder het ruige type, een soort tomboy. Telkens als zij een belangrijke beslissing moet nemen, denkt ze nog steeds aan hem.

Benny Goodman

Journalist Bill Gottlieb van The Washington Post raadt Toots aan, wanneer hij terug in New York is, contact met hem op te nemen. Hij zorgt ervoor dat Toots kan optreden met de J.J. Johnson All Star Band in de "Three Deuces" in Manhattan. Het publiek is eerst afkerig van die Belg met zijn mondharmonicaatje, maar na enkele nummers gaat het door het dak. Na het optreden maakt Toots kennis met Billy Shaw, de toenmalige impresario van Benny Goodman, die Thielemans vraagt of hij hem vanuit België geen opnamen van hem kan opsturen. Die zijn er echter nog niet. Met enkele vrienden neemt Toots iets later in een Brusselse garage zijn arrangement op van de jazzklassieker Stardust. Hij voegt er zelfs een strijkkwartet aan toe. Die opname komt terecht bij trompettist Ray Nance, die Toots iets voordien in ons land had leren kennen na een optreden van Duke Ellington. Zij worden goede maatjes en Ray belooft Toots dat hij de plaat aan Benny Goodman zal bezorgen. Dat gebeurt in het najaar van 1948 op Goodmans kantoor aan 654 Madison Avenue in New York. Goodman is zo onder de indruk van Toots' talent dat hij hem uitnodigt om vanaf de vijfde december van dat jaar, en dat voor een aantal concerten, mee te spelen in zijn band in het "Paramount Theater" in Manhattan. Maar Dame Fortuna is hem niet gunstig gezind, want hij krijgt geen werkvergunning en ook geen visum voor de USA. Benny Goodman neemt Toots in 1950 mee op zijn Europese tournee, te beginnen in "The London Palladium" en zo verder richting Italië, Zwitserland en Zweden. Toots mag dan deel uitmaken van Goodmans "All Star Septet", aan de zijde van onder anderen Roy Eldridge en Zoots Sims.

Salim Seghers wordt geboren

Salim werd als Jos Aerts de achtste augustus 1948 in Wijchmaal in een gezin van zeven kinderen geboren: drie meisjes en vier jongens. Moeder had de handen niet alleen vol met het verzorgen van de kinderen, maar ook het onderhouden van de moestuin en de beesten. Pa was mijnwerker. Van in de wieg bleek Jos een zorgenkind. Zijn gezondheid was niet top en die eerste jaren had hij veel aandacht nodig. Gelukkig zong moeder een pak van die zorgen weg terwijl in de achtergrond pa accordeon en mondharmonica speelde ook al kon hij geen noot lezen. Na verloop van tijd konden zijn vier zonen elk een instrument bespelen.

Danny Fabry wordt geboren

Danny Fabry werd als Robert Esseldeurs de derde augustus 1948 in Leuven geboren. Twee oudere zussen (respectievelijk twee en vier jaar ouder) waren er om hem extra in de watten te leggen. Zijn ouders runden een melkbedrijf, dus veel vrije tijd was er niet om zich met de kinderen bezig te houden, al heeft Danny er wel zijn zakelijk instinct aan te danken.

Paul Severs wordt geboren

Paul werd de 26ste juni 1948 in Huizingen in de buurt van Brussel geboren als voorlaatste kind in een rij van zeven. Muziek hing er bij hen thuis altijd in de lucht. Niet alleen Paul zong graag, maar ook zijn broers Firmin en Karel. Tijdens de winteravonden tokkelde pa graag op de mandoline en leerde hij zijn kinderen de liedjes van Jan Verbraeken en Jean Walter .

Wanneer het ook maar enigszins kon, ging pa met hen naar een plaatselijke crochetwestrijd die vaak door Karel gewonnen werd. Karel schitterde ook in het plaatselijk kerkkoor en pa was maar wat trots om met zijn zingende zonen uit te pakken. Toen papa ziek werd, moest hij afhaken, maar niet zijn zonen en Paul zeker niet die zich nog herinnert dat toen hij een jaar of negen was applaus scoorde wanneer hij de hit Oh Johnny van Tante Leen zong.

Paul Michiels

Paul Michiels werd de vijftiende juni 1948 te Heist-op-den-Berg geboren. In 1964 richtte hij de groep Les Jeunes op met daarin gitarist en backing vocalist Carlo Wouters, basgitarist en backing vocalist Paul Yskout en drummer Jeff van der Heyden. Waarom Les Jeunes? Wel, Paul mikte ook op de Brusselse rand, onder meer Vilvoorde, Overijse, Halle, Schaarbeek enz. waar toen nog veel Frans werd gesproken. Het vreemde was dat ze, ondanks die naam, hoofdzakelijk Engelstalige liedjes speelden, de hits van The Beatles, The Rolling Stones, The Beach Boys, The Monkees ... Ze schuimden in die tijd zowat alle kermissen en balzalen af. De groep hield stand tot in 1967. Dat jaar moet Paul zijn dienstplicht vervullen. Iets voordien trekt hij er nog even op uit.

Zijn eerste plaat

In 1948 begint Bobbejaan zijn eerste plaatjes op te nemen voor het Deccalabel. Als geen ander gaat hij voor eenvoud in zijn liedjes, die mogen volks klinken, daar hebben de mensen recht op. Op 78 toeren verschijnt De trappers van Alaska, gekoppeld aan Ik wil zo graag gaan trouwen. Het publiek reageert enthousiast, ook op het liedje Maar... die kat komt weer en vooral op de plaat De jodelende fluiter, die het niet alleen bij ons, maar ook bij ons noorderburen erg goed doet. Op plaat wordt het gekoppeld aan Koetje boe, ook al zo'n Bobbejaanklassieker te noemen.

Hij gaat in Nederland optreden in de in die tijd populaire Bonte Dinsdagavondtrein van de AVRO samen met sterren zoals Toon Hermans, Rudi Carrell en Willy Alberti. Door dat succes in Nederland belandt Bobbejaan ook in Indonesië om daar de troepen te entertainen. In die sfeer van jodelende cowboy schrijft hij Geef mij maar de prairie en brengt dat nummer in 1948 eveneens op 78 toeren uit. Bobbejaan heeft qua plaatopnamen de smaak goed te pakken en weet precies wat zijn fans willen horen.

Zijn eerste single

Hij heeft intussen muziekuitgever Jacques Klüger een bezoekje gebracht die hem in contact brengt met de Franssprekende Emile Deltour, op dat moment artistiek directeur bij het platenlabel Decca. Na een proefopname wordt beslist dat Will het liedje Nacht over Java van de Nederlandse componist Jack Bess op een 78- toerenplaat mag uitbrengen met op de B-kant het door hemzelf geschreven Filomeentje.

Will gaat ook live optreden als solozanger. Mama gaat altijd mee om onder andere zijn programmaboekjes te verkopen. Papa houdt zich voorlopig nog op de achtergrond. Hij heeft namelijk schrik dat zijn zoon door het publiek niet aanvaard zal worden en hij wil dat niet meemaken. Pas jaren later, wanneer Will een echte vedette is geworden, komt pa af en toe eens langs tijdens een optreden. Hij gaat zelfs na een tijdje de fanmail van Will beantwoorden.

Het heeft jaren geduurd vooraleer Will zich op de bühne thuis zal voelen. Hij vreesde al van het begin af dat het publiek hem niet goed zou vinden, zijn liedjes niet zou lusten. Wegens die angst staat hij vaak verkrampt op het podium wat zijn charisma dan weer niet ten goede komt.

Zijn jeugd

Will koesterde één grote droom: zanger worden. Zijn vader vond dat geen ernstige stiel, maar moeder geloofde wel in het talent van haar zoon. Op school was Will geen held, maar hij werd wel gewaardeerd wanneer hij op zijn accordeon het koor begeleidde. Voor die accordeon hadden zijn ouders een tijdje haast het brood uit hun mond moeten sparen, maar ze wisten toen al dat Arthur door muziek bezeten was. Op jonge leeftijd stapt hij naar de muziekschool. Dat slorpt hem helemaal op, dat bezig zijn met noten én liedjes schrijven. Mama Blanckaert had zo graag dat Will in het orkest van Francis Bay zou terechtkomen.

Derde klarinet

Onder impuls van vader gaat Willem in de dorpsharmonie Sint-Cecilia meespelen! De dirigent van de harmonie, Gustave Vauterin, leerde Willem notenleer. Later zegt Willem daarover: "Daar begon 't allemaal. De chef zei vaak: 'Spelen wat er staat!' Op den duur ga je spelen wat er niet staat. Dan pas krijg je vleugels." Bij de harmonie kwam de werkman zich na zijn uren ernstig met muziek bezighouden. Op amusementsmuziek werd ook daar nog neergekeken. Klassiekers als "De Egmont Ouverture" van Ludwig van Beethoven en "Finlandia" van Jean Sibelius kregen voorrang. In de harmonie speelde Willem derde klarinet, tijdens de processie met een kepie op zijn hoofd en een bosje witte pluimen. Elke dinsdagavond werd er gerepeteerd. Willem weet nog dat op zekere dag de radio kwam opnemen en dat er naarstig geoefend werd. Daarnaast waren er ook de concerten op de kiosk, de uitstap naar zee en naar de Antwerpse zoo.