Rocco Granata

Belgio

Aan het einde van de jaren veertig trekken heel wat Italiaanse mannen naar het buitenland omdat ze gehoord hebben dat ze daar meer geld kunnen verdienen dan in hun thuisland. Sommigen verhuizen naar Venezuela en Brazilië, anderen naar Canada en Argentinië en een hele rist gaan zich in Belgio vestigen.

Als Rocco zijn lagere school bijna heeft afgerond, hij is dan negen, besluit zijn vader in ons land te komen werken omdat hij hier veel meer kan verdienen. Drie keer zoveel. Papa Granata had het plan opgevat om in ons land een jaar keihard te werken en met dat geld in hun Italiaans dorp zelf een smederij op te starten. Maar dat ene jaar worden er twee, de eenzaamheid wordt te groot en vader besluit de hele familie te laten overkomen.

Rocco vindt het erg dat hij zijn vrienden ginder moet achterlaten en in een vreemde wereld terechtkomt waar hij niet eens de taal verstaat. De familie Granata gaat in Waterschei wonen. Hier worden ze spaghettivreters genoemd, het woord racisme moet nog worden uitgevonden. Ze passen zich aan en Rocco gaat in zijn gemeente naar de lagere school.

Het eerste Nederlandse woord dat hij daar leert, was voetballen, iets wat hij graag doet. In Genk volgt Rocco muziekles. Opvallend is dat papa zijn zoon een accordeon koopt, maar hij staat erop dat zijn zoon nooit muzikant wordt, professioneel toch niet.