Jean Walter

Toen Jean Walter in 2007 vijfentachtig werd, vertelde hij in een interview aan Het Nieuwsblad het volgende: "Ik heb de indruk dat zingen voor mij méér amusement dan een beroep was". Genieten en schoonheid gingen voor alles. "Ik ging elke dag lekker eten, genoot van de kunst en van alles wat het leven biedt. Ik genoot van mijn publiek, maar was ook heel graag alleen. Een heel moeilijke periode was de dag dat ik mijn stem verloor en de jaren die daarop volgden. Ik had te gulzig van het leven genoten. Jo Leemans en Nand Buyl hebben mij na mijn genezing terug opgevist. Ook Jan Theys ben ik eeuwig dankbaar omdat hij me in die moeilijke tijden niet heeft laten vallen". In 2007 zette Jean in de Stadsschouwburg van Sint-Niklaas definitief een punt achter zijn carrière door de negentiende november daar een laatste maal op te treden. Dat afscheid nemen viel hem zwaar, want zingen was voor hem altijd een soort drug, een verslaving.

Jean Walter, geboren als Jean, Guillaume, Marie Wauman de elfde februari 1922 in de Lamstraat 109 te Sint-Niklaas, zou aanvankelijk in de breigoedzaak van zijn ouders gaan werken. Jean kwam uit een begoede familie. Als kleuter trekt Jean naar de Sint-Carolus Basisschool. Nadien wisselt hij nogal van school. Hij gaat eerst naar het Sint-Jozefsinstituut in de Ankerstraat, vervolgens naar Het Scheppersinstituut op de Melaan in Mechelen en tot slot naar het Atheneum in Sint-Niklaas waar hij maar een paar maanden blijft, want in 1940 breekt de oorlog uit en vlucht Jean met zijn familie naar Frankrijk. Papa Waumans mocht je in die tijd wel een soort textielbaron noemen die niets liever wou dan dat zijn zoon zou voortstuderen. Om pa te plezieren, trekt Jean twee jaar naar het Technisch Textielinstituut in Sint-Niklaas zodat hij na zijn studies bedrijfsleider kan worden in de zaak van zijn vader, maar Jean wil iets anders. Hij wil zanger worden! Papa Wauman produceerde als nevenactiviteit in zijn bedrijf opvouwbare en geponste kaarten voor draaiorgels. Dat lag Jean meer na aan zijn hart. Dat zijn zoon zanger wou worden, interesseerde zijn vader niet echt. Het muzikale moet hij van zijn Zuid-Franse moeder hebben geërfd, maar die stierf amper elf dagen na Jean’s geboorte. Op school toont Jean tijdens de muziekles wél veel belangstelling en sluit zich in 1933 aan bij het kapelkoor onder leiding van E.H. Verdurmen van het Sint-Jozefsinstituut. Thuis wordt er meer naar klassiek geluisterd en naar de Nederlandse liedjes van The Ramblers en Kees Pruis. In 1940 zet Jean schoorvoetend zijn eerste stappen in de richting van de muziek. Hij is dan achttien. Hij is vaak te vinden in het café

"De Jazzkring" in Sint-Niklaas bij de gebroeders Omer, Albert en Marcel De Cock, waar hij uren lang van jazzmuziek kan genieten. Die gebroeders De Cock hadden een eigen orkest "The Blue Dandies". In die tijd leert Jean ook Jef Burm en Bob Benny kennen, stadsgenoten van hem. Hij wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog in zijn stad een paar keer door de gestapo opgepakt die hem verplichten in Duitsland te gaan werken. Daar ontdekken zij dat Jean goed kan zingen. Hij komt in 1942 in Duitsland voor de eerste maal in zijn leven in contact met professionele muzikanten en de Duitsers dwingen hem te gaan optreden met een, hoe vreemd het ook mag klinken, joods orkest, het in die tijd populaire orkest van John Witjes. Nooit hebben zij enige hinder ondervonden van de jodenvervolging alsof hun een speciale status werd toegedicht. Of zij nu in Münster, Mannheim, Magdeburg, Berlijn, Würtzburg of bij ons optraden, zij werden overal op handen gedragen. Deze ervaring stimuleert Jean om na de bevrijding als zanger door te gaan. Om zich na dit avontuur wat veiliger te voelen, duikt hij onder tot aan de bevrijding. In Brussel wordt hij van dan af orkestzanger en zingt vooral jazzy getinte liedjes op een Amerikaanse leest geschoeid. Meteen na de bevrijding ontmoet hij in Brussel Pol Clark op de Anspachlaan die hem aanspoort definitief voor het vak zanger te kiezen. Vervolgens komt hij in contact met Pol Gason van het "ABC Theater" aan de Adolph Maxlaan in Brussel en iets later met Bobby Naret van het "Corso Theater" langs de Chaussée de Gand in Brussel en gaat met de big band van het Amerikaans leger op tournee die hem als de Vlaamse Frankie Laine naar voor schuiven.

In 1951 treedt Jean op in de V.I.P. Club van "La Nouvelle Equipe" gelegen aan de Naamsestraat in Brussel. Daar ontmoet hij Arthur Mathonet, Luikenaar en zoon van George, eigenaar van de Ancienne Belgique in Brussel (gebouwd in 1857). Ook in de steden Gent, Luik en Antwerpen richt de familie Mathonet de jaren nadien een "Ancienne Belgique" op. In Antwerpen en Gent geven zij hun theaters de naam "Oud België". Door een faillissement aan het begin van de jaren zeventig moeten de zalen hun deuren sluiten. Tien jaar later wordt de "Ancienne Belgique" in Brussel door het Ministerie van Financiën gekocht die er een eigen Vlaams Cultuurhuis in de hoofdstad van maken. Pas in 1996 wordt de AB, volledig gerenoveerd, opnieuw geopend. Arthur Mathonet wil na zijn ontmoeting met Jean niet meer dat hij in nightclubs en zo gaat zingen en stuurt hem de bühne van de grote theaters op. Hij laat Jean Walter eerst ervaring in Parijs en Londen opdoen door hem daar naar de grote shows van bekende artiesten te gaan laten kijken zoals die van Gilbert Bécaud en Charles Aznavour. Jean steelt erg gulzig met zijn ogen. Mathonet laat Jean daar ter

plekke met degelijke orkesten optreden. Nog geen twee jaar later is het platenproducer Jacques Klüger die met hem een plaat wil opnemen, in het Nederlands, want Jacques heeft door dat er in Vlaanderen behoefte is aan zangers van eigen bodem die dan ook in hun eigen moedertaal zingen. Jacques is op dat moment de grootste muziekuitgever van de jaren vijftig in ons land. Hij had in 1947 Bobbejaan Schoepen ontdekt en gelanceerd en ook La Esterella en nu dus Jean Walter. Jacques was samen met zijn zakenpartner Felix Faecq het platenlabel Victory Records begonnen dat in 1958 wordt omgedoopt tot het Palette Label waarop onder meer de platen van Will Tura en The Cousins worden gereleaset. Jacques Klüger is ook eigenaar van de bekende muziekuitgeverij "World Music Publishing Group". Op die manier kon hij in die jaren veertig en vijftig zijn artiesten aan goede songs helpen, die hij meestal in het Nederlands liet vertalen.

Almaar méér worden in de jaren vijftig in Vlaanderen Jean Walter en Bob Benny met elkaar vergeleken en soms door zaaluitbaters tegen elkaar uitgespeeld. Jean "de crooner" en Bob "de chanteur à voix". Jean was ook de man die door de vrouwen aanbeden werd. Hij stond ook iets galanter en natuurlijker op het podium dan Bob Benny die zich toen nog niet als homo durfde te outen en de dames iets afstandelijker benaderde dan Jean. In zijn boek "Ik hou van jou, het verhaal van de Vlaamse showbizz" stelt Marc Adriaens het nog anders. "Behalve hun verschillend repertoire was er nog een ander belangrijk onderscheid tussen Bob Benny en Jean Walter, beiden uit Sint-Niklaas afkomstig. Bob kwam uit een arbeidersmilieu en droeg als kind klompen, Jean was de zoon van textielbaron Alphonse Wauman".

Jean treedt in het begin op onder de artiestennamen Jean Woodman en John Newman, maar Klüger vindt Jean Walter toch iets meer toegankelijk klinken omdat hij met Jean vooral op de Vlaamse markt mikt. Eén van Jeans eerste opnamen wordt De rots van Gibraltar, een vertaling van de hit die Frankie Laine in 1952 scoorde met The Rock of Gibraltar dat toen op het Columbia label als B-kant van zijn hit High Noon werd uitgebracht en oorspronkelijk was geschreven door Terry Gilkyson. Deze hit wordt snel vervolgd met Ik zie je voor het eerst vandaag door Erik Franssen en Van Aleda letterlijk vertaald naar de Duitse versie die Jean eveneens op plaat zette Ich seh' Sie heut zum ersten mal geschreven door Lex Braun. Een nog groter succes wordt de vertaling van L’âme des poètes, een hit in 1951 op 78 toeren op het Columbia label voor Charles Trenet, populair geworden dankzij de film "Bouquet de joie" van Maurice Cam met in de hoofdrollen Roland Armontel en Lucien Callamand en dat al even bekend

is als Longtemps, longtemps. Het is Trenet's concurrent-collega Yves Montand die met zijn versie een deel van de koek zal afsnoepen. Jean neemt het in 1951 op in een vertaling van Eric Franssen en Van Aleda als Heel lang, heel lang. In Amerika scoren de crooners Toni Martin en Bing Crosby er een hit mee onder de titel At last, at last.

Klüger vindt dat Jean meer in zijn mars heeft. Hij mikt op een internationale carrière en stuurt Jean eerst richting Frankrijk en vrij snel nadien naar Duitsland waar Jean samen met een pak bekende orkesten optreedt, al was hij achteraf beschouwd veel liever in Frankrijk gebleven omdat de Franse flair en de Franse taal hem beter ligt. Met het orkest van Kurt Edelhagen concerteert Walter in Wenen alleen al zo'n vierentwintig keer. De mooiste herinneringen bewaart hij aan zijn optredens samen met het orkest van Helmut Zacharias. Hij trekt met Helmut op tournee door Duitsland, Frankrijk, Scandinavië, Zwitserland en Oostenrijk. Het lag een beetje voor de hand dat hij met hem goed opschoot, want zij zaten beiden bij dezelfde platenstal. Jean was er ook bij toen Helmut Zacharias in de "Arenbergschouwburg" in Antwerpen voor de allerlaatste keer in ons land optrad.

Met de evergreens Ol’ man river en Domino wint Jean Walter de "Grand Prix du Micro" bij Radio Luxemburg en krijgt voor zijn interpretatie van het chanson Comme un bohème in 1951 in Deauville de prijs "Le coq de la chanson Française". Intussen blijft hij vooral zijn vrouwelijke aanhang verwennen met prachtige opnamen. In 1952 pakt in Amerika crooner Vic Damone uit met Appassionata geschreven door Henry Wyn op tekst van Ben Raleigh. Raleigh zal iets later Johnny Mathis aan de hit Wonderful Wonderful helpen en Ray Peterson aan Tell Laura I love her. Van Aleda en Jan Remo schrijven voor Jean de Nederlandstalige tekst en Jean scoort met Appasionata er op zijn beurt bij ons een hit mee. In 1953 neemt Jean een song op die Frank Sinatra datzelfde jaar had ingeblikt als My One and Only Love, eveneens gecoverd door Dean Martin en Ella Fitzgerald. Erik Franssen en Van Aleda schrijven als Nederlandse tekst Jij bent mijn groot geluk. Walter neemt dat nummer in Duitsland op en wordt daarbij begeleid door het Rias Tanzorchester onder leiding van Werner Müller. Datzelfde jaar blikt hij een song in van Jeff David en Pierre Saka die hij kende in de versie van Eddie Constantine Ah! les femmes. Jean neemt het op als O! doe vrouwtjes samen met de band van John (Jan) Stevens. 1953 is een zeer productief jaar voor Jean. Van zijn idool Charles Aznavour pikt hij het liedje Et bailler et dormir dat hij door Erik Franssen en Van Aleda laat vertalen als Gapen en slapen. In Frankrijk wordt het nummer ook

door Annie Cordy, Jean Bretonnière en het mondharmonica Trio Raisner opgenomen. Een grote meevaller voor Jean Walter wordt in 1953 het nummer Wondermooi geschreven door Hans Flower en Marc De Corte én Dank, een vertaling van I Believe van Ervin Drake en Irvin Graham, dat hij datzelfde jaar samen met het orkest van John Stevens had geregistreerd. Het wordt datzelfde jaar ook op plaat gezet door La Esterella die net als Jean Walter in de platenstal van Jacques Klüger zit. In 1955 scoort Jean raak met het bekende lied Die Julischka uit Boedapest uit de operette "Maske in Blau" van Fred Raymond vertaald door Erik Franssen en Van Aleda. Datzelfde jaar covert hij de hit Ein Man muss nicht immer schön sein van Alice Babs en maakt er letterlijk Een man moet niet altijd mooi zijn van, wat uit de mond van deze Vlaamse adonis nogal dubbelzinnig klinkt. Zowel in het Duits als in het Nederlands zingt Jean in 1955 Carnavalito dat in Vlaanderen ook door Jan Verbraeken op plaat wordt uitgebracht. De kenners mogen beslissen welke versie zij de beste vinden. Een opname die Jean zijn leven lang heeft gekoesterd, is zijn Duitse versie van De Lichtjes aan de Schelde van Bobbejaan Schoepen dat hij speciaal voor de Duitse markt inblikt als Die Lichter an der Elbe.

En dan is er het haast onafscheidelijke Tulpen uit Amsterdam, tevens de grootste hit die Jean Walter ooit scoorde. Tulpen uit Amsterdam werd zowel in het Nederlands als in het Duits door Jean als allereerste op plaat gezet. Oorspronkelijk was het Gerhard Wendland die het liedje zou inzingen, maar wegens ziekte moest die afhaken en was het de eer aan Jean om het in te zingen samen met het Rias Tanzorchester onder leiding van Werner Müller die tevens de arrangementen schreef. Het liedje is van de hand van Ernst Bader en Ralf Arnie. Arnie zou in het totaal achthonderd liedjes schrijven en de eigenaar worden van de bekende "Star Studio" in Hamburg waar in de jaren zeventig onder meer de groep Kraftwerk platen opneemt. In het Duits zingt Jean het liedje in 1956 in als Tulpen aus Amsterdam met op de B-kant Ich seh' Sie heut' zum ersten Mahl. In Nederland wordt het in 1957 op het Decca label uitgebracht door Herman Emmink. Een ander verhaal wil dat Jean Walter het nummer Tulpen aus Amsterdam ontdekte toen zijn platenfirma in 1956 in Hamburg een reünie organiseerde waarbij zowel Jacques Klüger, Helmut Zacharias als Jean Walter aanwezig waren. Uit een aantal nieuwe melodieën mocht Jean zijn keuze maken. Een ingehuurde pianist speelde enkele liedjes voor en toen Jean hem Tulpen aus Amsterdam hoorde inzetten, was hij meteen verkocht. Maar dat het zo'n immens succes zou worden, had toen niemand verwacht, Jean zeker niet.

In 1956 trekt Jean met de Belgische ploeg, waarvan ook Terry Lester, Erik Franssen, Frieda Linzi en Francis Bay deel uitmaken, naar Venetië om daar deel te nemen aan "Festival van de Gouden Gondel". Speciaal voor Jean schrijven Marcel Coole en Hans Flower Venetië. Jean zingt dat liedje deels in het Italiaans, deels in het Nederlands. Jean rijdt zelf met zijn Mercedes naar Venetië. Doodop moet hij daar optreden. Voor alle zekerheid heeft hij zijn Italiaanse tekst op een spiekbriefje geschreven, maar ziet tijdens zijn optreden dat hij het in de verkeerde richting vastheeft. Hij brabbelt dan maar ter plekke een taaltje dat op Italiaans moet lijken. De Belgische ploeg krijgt "De Zilveren Gondel", zij eindigen tweede. De Nederlanders, met onder meer Mieke Telkamp en Willy Alberti, varen met "De Gouden Gondel"naar huis! Venetië wordt in 2000 genomineerd in de "Eregalerij" van Radio 2 en Sabam tijdens een gala in het "Casino van Knokke". Eén van Jeans mooiste opnamen ooit, Twee blauwe kinderogen, levert hem "De Grote Prijs van het Nederlandse lied" in Antwerpen op. Het is een honderd procent Vlaams liedje geschreven door Hans Flower, Leo Camps en Frank Engelen dat Jean in 1957 samen met het orkest van Henri Segers opneemt en dat op 78 toeren op het Polydor label verschijnt. Iets later speelt Jean de hoofdrol in de operette "Rose Marie" van de Amerikaanse componist Rudolf Friml, in 1924 voor het eerst opgevoerd op Broadway en twaalf jaar later in de verfilmde versie een groot succes voor Jeanette McDonald en Nelson Eddy.

Jean blijft nog een tijdje succes oogsten met singles als Met je handen in 1958 geschreven door Roy Irwin als You need hands, in Amerika dat jaar een dikke hit voor Eydie Gormé, voor de Vlaamse markt vertaald door Ke Riema en Van Aleda en in 1959 de traditional Aan het Wolgastrand, bewerkt door Van Aleda en Jean Rolle. Are you sincere? dat Andy Williams en The Platters opnemen, vertaalt Jean in 1959 als Ben jij oprecht?

En dan is het in één klap voor hem afgelopen. Het succesverhaal is voorbij. Jean Walter verliest in 1960 eerst zijn zangstem, iets later ook zijn spreekstem en moet alle geplande contracten en optredens afgelasten. Het helse bestaan dat hij leidde, niet alleen zijn optredens, maar vooral het doorzakken nadien, het rijkelijk eten en zijn vele relaties met vrouwen, eisen hun tol. Jean stapt van dokter naar dokter tot in het buitenland toe. De klassieke geneeskunde kan hem niet helpen. Jean schakelt dan maar over op homeopathie, yoga en sport. Geloof het of niet, noem het een zuiver placebo-effect, maar een pendelaar helpt Jean letterlijk en figuurlijk zijn stem terugvinden.

Intussen gaat Jean, om toch maar in de running te blijven, op zoek naar werk waarvoor hij zijn stem niet echt nodig heeft. Omdat hij knap oogt, wordt hij mannequin en fotomodel. Hij verdient in die tijd 35 euro per uur, wat toen een méér dan behoorlijk bedrag was. Hij verdient op dat moment méér dan hij ooit als zanger heeft mogen opstrijken. Jean noteert op een bepaald moment zo'n twintig opdrachten per maand en dat telt lekker door op zijn bankrekening. Na vier geduldige jaren krijgt hij in 1962 zijn zangstem terug en kan hij opnieuw optreden, maar Jean is er zich wel van bewust dat de hoogtijdagen van weleer definitief voorbij zijn. Met heel veel inzet weet hij zich staande te houden. Vanaf de maand oktober 1962 neemt hij deel aan "Canzonissima" waarin de VRT op zoek gaat naar de geschikte deelnemer voor het Eurovisiesongfestival. Kandidaten zijn: Chris Ellis, Bob Benny , Enny Denita, Freddy Sunder, Jacques Raymond , Jo Leemans , Lieve Olga, Lize Marke, Ria Pia, Staf Wesenbeek, Will Ferdy en Jean Walter. De uiteindelijke winnaar wordt Jacques Raymond die met Waarom, een liedje op tekst van Wim Brabants en muziek van Hans Flower, de 23ste maart 1963 op het podium van het "BBC Television Centre" in Londen staat en daar tiende eindigt met vier punten. In het totaal nemen zestien landen deel. Denemarken wint met Dansevise uitgevoerd door Grethe en Jörgen Ingmann.

VRT-producer Yvonne Verelst vist Jean in 1965 op en laat hem op televisie optreden in de " Jo Leemans ’ Show" aan de zijde van onder meer Nand Buyl. Dankzij Henk Van Montfoort kan Jean weer vaker optreden. Hij vindt daarnaast onderdak bij een aantal theaterbureaus zoals "Benelux Theater", "Theaterbureau Thienpont" en John Goeman.

In 1983, als Jean zijn veertigjarige loopbaan viert, krijgt hij van toenmalig cultuurminister Poma het lint van "Ridder in de Kroonorde". Drie jaar later ontdekt Jean het zangtalent van de jonge sopraan Katrien Gallez. Jean gelooft in haar kunnen en wil haar daar mee voorthelpen. Zij groeien almaar dichter naar elkaar toe en besluiten hun leven voortaan samen te delen. Jean is dan vierenzestig, Katrien negenentwintig. Katrien zal naam maken in de wereld van de operette en de musical met rollen in "Die lustige Witwe" en "West Side Story". Vanaf 1985 staat zij vijf zomers lang samen met Sandra Kim en Ben Cramer op het podium van "Het Witte Paard" in Blankenberge. Zij zal ook vaak optreden met de Nederlandse bariton Marco Bakker.

In 1992 organiseert Jean Walter ter gelegenheid van zijn 50–jarige carrière een groots jubileumconcert en krijgt naar aanleiding daarvan vanwege de Vereniging van Belgische Artistieke Promotie (B.A.P.) een gouden eremetaal als bekroning voor heel zijn oeuvre. Hij voelt zich als herboren wanneer producer Marc De Coen eind jaren 90 op de idee komt hem samen met Bob Benny en Jacques Raymond te presenteren als het trio "De Gouden Tenoren". Hij denkt daarbij aan zijn idool Charles Aznavour die ook van geen ophouden weet. Jean heeft al zijn platen en luistert er vaak naar. Hij zal nooit vergeten dat hij in 1952 samen met Aznavour op de affiche van de "Ancienne Belgique" oftwel "Oud België" in Antwerpen stond, een week lang. In 1999 brengen De Gouden Tenoren op het Polydor label als single de Festival Medley op cd uit met daarop enkele van hun grootste hits: Hou toch van mij, Waarom, Venetië, September gouden roos, Die eerste kus en Twee blauwe kinderogen. Er verschijnt datzelfde jaar ook een verzamelalbum van hen met daarop nieuw ingezongen versies van hun vroegere klassiekers plus een retromedley.

En om het verhaal positief af te ronden, krijgt Jean op 21 november 2003 tijdens het gala van de "Eregalerij" in het Casino van Knokke uit handen van Johan Verminnen een onderscheiding voor "een leven vol muziek". Hij ontvangt dat jaar die prijs gelijktijdig samen met zijn vriend en collega Bob Benny.

Tien jaar later lopen wij Jean Walter nog eens tegen het lijf en laat hij horen dat hij nog kan genieten van goede muziek en graag oog en oor heeft voor jong Vlaams talent, in het bijzonder voor Barbara Dex, Bart Herman , Udo en Günther Neefs . Jean brengt nog altijd samen met zijn vrouw, als zij niet in Kortrijk verblijven, voor een groot deel van het jaar op hun appartement in het zonnige Marbella door. Het mondaine leven daar en die zuiderse levensstijl hebben hem altijd aangetrokken. Hier kan hij nagenieten van zijn carrière en vooral van de schoonheid die hem daar omringt.

Zijn negentigste verjaardag viert hij in het gezelschap van Marco Bakker en Willeke Van Ammelrooy.

Jean overlijdt de vijfde juni 2014. Er wordt van hem door zijn echtgenote Katrien Gallez, zijn kinderen Natascha en haar partner Alain en zijn kleinkinderen Esmée en Axelle in het gezelschap van veel vrienden en kennissen de dertiende juni om elf uur in de voormiddag afscheid genomen in het crematorium "Heimolen" in Sint-Niklaas.

Op zijn doodsbrief lezen wij: "Oh mon amour, mon doux, mon tendre, mon merveilleux amour, de l'aube jusqu'à la fin du jour, je t'aime encore, tu sais je t'aime" (Jacques Brel). Jean overleed aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer. Hij werd 92!

tekst en research: Marc Brillouet © 2014 Daisy Lane & Marc Brillouet